Jesaja kwam, en bracht ze tot zes (Jesaja XXXIII, 15): „Wie in gerechtigheid wandelt, eerlijk spreekt, versmaadt de winsten, door hardheid afgedwongen, en zijne handen schudt, dat ze niet naar om-kooping grijpen; zijn oor toestopt, dat het den Moedigen raad niet verneme, en zijne oogen sluit, opdat hij het kwaad niet aanschou-we — Hij zal op de hoogten wonen..
Micha bracht ze tot drie geboden (Micha VI, 8): „Hij verkondigde u, o mensch! wat goed is: wat eischt God van u dan dit: doen wat recht is, liefde oefenen, en deemoedig wandelen voor God?”
Weder kwam Jesaja en bracht hen tot twee (Jesaja LVI, 1): „Zoo zegt de Eeuwige: Bewaart het recht en oefent edelmoedigheid”.
Eindelijk kwam Amos, bracht ze tot één gebod terug (Amos V, 4): „Zoo spreekt God tot het huis van Israël: „Zoekt Mij en leeft”.—
103