LAND, DE DUITSERS TOEGEROEPEN: GIJ ZULT NIET MOORDEN, ROEPT THANS UW EIGEN MENSEN TOE: GIJ ZULT NIET STELEN.
Wegens dat Goddelijke gebod uit de Bijbel, maar ook wegens de rust in Nederland.
Bijna de gehele Nederlandse pers heeft deze week aandacht besteed aan onze mededelingen over de kinderen en aan de correspondentie tussen opperrabbijn Tal en de aartsbisschop-coadjutor. Voor zover het niet bij leitelijke mededelingen bleef gaf de pers duidelijk uiting aan de bezorgdheid over het uitblijven van een positieve verklaring. Wij volstaan deze week met het geven van enige citaten uit een voortreffelijk artikel onder de titel „Duidelijkheid gewenst" in het Algemeen Handelsblad d.d. 28 Juli j.1. waarvan de Aartsbisschop toch moeilijk kan zeggen dat het op „tendentieuze berichtgeving" uit is.
Uit het „Nederlands Juristenblad" d.d. 9 Januari 1954 (Redactie Prof. Mr. J. C. van Oven, Prof. Mr. G. E. Lange-meijer, Prof. Mr. J. M. van Bemmelen, Prof. Mr. H. F. W. D. Fischer en Prof. Mr. C. W. van der Pot):
VERDWENEN KINDEREN.
Tijdens de bezetting was „onderduiken" een alledaags verschijnsel. Tallozen hebben daaraan hun leven of althans het ontkomen aan een uiterst hard lot te danken. Daaronder zijn naast de volwassenen, die uit eigen initiatief die maatregel van veiligheid namen, ook een groot aantal kinderen, die men heelt „laten onderduiken." Het is begrijpelijk dat ons volk, dat zich te voren in het algemeen door een sterke afkeer van onregelmatige toestanden onderscheidde, hierdoor met de gedachte van het verborgen houden van zichzelf of een ander is vertrouwd geraakt. Toch ligt hierin, zeker wanneer het kinderen betreft, een niet gering gevaar. Enkele gevallen van oorlogspleegkinderen, die de vroegere pleegouders deden verdwijnen toen anderen met de voogdij werden belast, zijn uit de dagbladen algemeen bekend. Ook heeft men in de pers kunnen lezen van een geval waarin bij een conflict tussen echtgenoten de vader, aan wiens gezag het kind niet was toevertrouwd, kans zag dit naar Spanje te ontvoeren en ook verder aan de moeder ongedachte moeilijkheden bij het uitoefenen van haar recht in de weg legde. Er zijn nog andere gevallen. De Hoge Raad
88