lingetjes van O.P.K. onder de Voogdijraad te ressorteren. De Voogdijraad stelde aan de Rechtbank voor, Anneke Beekman onder de voogdij te plaatsen van de Joodse vereniging „Le-Ezrath Ha-Jeled". De Rechtbank besliste 3 Mei 1950 dienovereenkomstig. Niemand heeft tegen deze beslissing appèl aangetekend, zodat de bedoelde Joodse vereniging wettelijk in een onaantastbare positie staat.
Niettemin is Anneke Beekman niet meer te voorschijn gekomen. De Joodse vereniging heeft zich enige malen tot de dames Van Moorst gewend, maar alle brieven bleven onbeantwoord en aangetekende stukken kwamen geweigerd terug.
Drie jaar lang is het meisje nu al verdwenen. Waar heeft men baar heengevoerd? Bevindt zij zich ergens bij een andere katholieke familie in Nederland? Of is het kind wellicht in het een of andere klooster opgesloten? Heeft men haar misschien naar het buitenland gebracht? Politie en justitie hebben tot nog toe op deze vragen geen antwoord kunnen geven. De dames Van Moorst houden hun mond en de priesters, die van de feiten op de hoogte moeten zijn, zwijgen eveneens. Kan dit alles in het jaar Onzes Heren 1953 in een democratische rechtsstaat? Het is hoogst merkwaardig!"
Uit de Gazet van Limburg d.d. 9.3.1953:
„NEDERLANDSE AFFAIRE-FINALY Pleegouders zouden Joods kind hebben laten verdwijnen.
(Van onze correspondent)
„Het Parool" heeft op sensationele wijze de vraag beantwoord: „Waar is Anneke Beekman?" Die Anneke is volgens de redactie een Joods weesmeisje, dat reeds gedurende drie jaar is verdwenen als gevolg van het optreden van de katholieke opvoedsters. Alle nasporingen zijn evenwel vruchteloos gebleven, daar men — aldus de Amsterdamse redactie — van bepaalde zijde geweigerd heeft de voor het ontdekken van de verblijfplaats van het meisje noodzakelijke medewerking te verschaffen.
Er volgt dan nog een omstandig verhaal, dat afkomstig schijnt te zijn van een persconferentie, waar dr.
69