223 DE BERG VAN DROOMEN.
de witte en de zwarte beren, de vurige draken en de eenhoorns en de griffioenen. Wat wild geschrei, gekerm en misbaar, wat angstige sprongen en handengewring, wat ellende en wanhoop.
Toen kwam de Rala, de zwarte zwijgend.
״We moeten ze helpen," zeide Puikebest.
Eensklaps werd het stil. De spoken bleven onbewegelijk, zwijgend met opgesperde muilen, hun koppen naar het oosten gericht. Daar rees hoog boven het geboomte de gouden spits van den toren der Vreugde.
En zij hoorden, klaar en zegevierend, het heerlijk kukelurem van Tobias den haan. Drie keeren klonk het, zeker en frisch als een klaroen, vol bezieling en hoop en moed. De hemel was overal licht.
Een wolk vloog op boven het veld: klapperend en rammelend, knarsend en krijschend rees de wanordelijke zwerm van spoken omhoog, dringend, tuimelend, vechtend onder elkander met gesnauw en gegons, en verdween naar het westen. De bladeren der boompjes ruischten, dat klonk als een groote zucht.
Toen werd de lucht vol van gejubel. De mannen en jongens sprongen op van den grond en omarmden elkander, en lachten en zongen, dansend van zotheid.
Reinbern lijkt een fijne luisteraar naar 's levens tooverijen en geheimenissen. Zoo fijn van aard en aanleg als de schrijver zélf en het fraaie is wel dat hij al de gedachten en de gevoelens in zich heeft van de allegorisch-representatieve figuren uit dit sprook-boek. Als de dokter spreekt, denkt eigenlijk — hoewel in den verhaaltrant geobjectiveerd door den allego-gorischen vorm — Reinbern, de jonge dichter.
De dokter houdt een verhandeling over de menschen, of iets over de menschen.
Ja, ik ben daar dikwijls met mijn gedachten bij mijn vrienden, soms denk ik dat ik veel van ze weet. Ze zijn zoo goed, allen die ik gekend heb van het begin van mijn leven. Het eerste dat ik mij herinner is, dat ik met ze speelde als vriendjes en vriendinnetjes. Spelen is een geluk, maar weinigen spelen hun leven lang, want later vergaat de lust. Ik zal tien jaar geweest zijn toen het spel mijn geluk niet meer was. Een vriendinnetje ging naar een andere stad en ik begon te denken hoe ik met haar spelen zou wanneer wij weer samen waren. Misschien was er ook een andere reden, maar voortaan wilde ik het liefst alleen zijn om te denken. En te vragen: waarom allés