414
Na een poosje stond ze weer alleen achter haar koffiemolen, bemijmerend de woorden van buurvrouw bóven-vóor. Die at niet anders als aardappelen met kookvet! En zij dan met haar krioelend gezin? Vader Scheendert had ze door Lien even naar huis laten brengen. In zijn halsstarrige beschonkenheid wou hij eerst niet weg. Maar ze kon het gezicht van den ouden dronken man, met zijn zenuw-beefkaak, niet langer verdragen. Ze huilde bijna, toen ze hem aan Liens arm de stoep afdrong. Wat slikte zij anders dan kookvet?.... Vleesch? .... Ala, veel te duur!.... al nam je het van vier stuiver het half pond. Dan had je nog je half pond vet,.... ook weer een heitje.... En het sloeg allegaar óp! En wat kon zij met haar keet van tien, buiten Lien, beginnen met een half pond vleesch. Alleen Stijn verslond voor zijn weetje al de helft. Nee, ze zou maar bij haar kookvet blijven met het half ons reuzel er doorgeroerd.
— Sau rul,.... sau rul,____alles woater!____klaagde Stijn, en daaroim de reuzel erdoor, voor het binden en de vastigheid.
Wat kon zij het helpen? Vroeger, bij Jan, Zondags een knoest van veertig cent; een prachtig stuk poot, met een volle murgpijp erbij. Voor een vet soepje!.... En dan een bal gehakt van tien stuivers; een weelde-maaltijd, met de lekkere soepgroente! Nou kon ze niet eens een schraal varkens- of ossen-zootje bemachtigen. Ze had geen lust meer voor het fornuis. Stijn moest maar weer gaan koken, nou het naar het kraambed liep. Koken kon hij héél goed. Nooit blufte hij; maar op zijn koken was hij trotsch.
— Dèt lèp ikke beiter as 't beste waèf!____zei hij
fier.
Had hij geleerd van zijn vader, den ouden Burk. Zijn moeder was al in geen vijf en twintig jaar aan een