401
boekje het winkeltje in, steunend op zijn ontverfden haak-stok met koperen punt-beslag.
— Hei?.... ufes ____ aurne Huyb?.... zei Neel
opgewekt.
Er was bijgeloof in Neels vreugde, hem־te-zien. Den enkelen keer dat de goed-gehumeurde zwerver en gedempte spotter inkwam, had ze altijd een heel goeden winkel-dag.
Neel was soms kluchtig-bijgeloovig, zonder bigotterie en zwartgallige gevolgtrekkingen als de voorteekens haar misleid hadden. Gold het bijgeloof haar zaakje, dan was ze echter niet van de kook te brengen. Met het klaarste licht in haar open oogen hield ze vol, dat het voor het verloop van haar winkeldag van het grootste belang werd, wie haar 's morgens handgift kwam brengen. Kwam haar moeder 's morgens het eerst in met een bestellinkje, dan trilde ze op haar korte beenen van ontdaanheid. Het zou een doode winkeldag zijn, dat wist ze zeker. Bet de Slobber, al kwam ze om een half centje olie, maakte alles goed. Ook Oranjekers. Dolgraag zag Neel haar met haar rood-ge-vlekt snuit het eerst 's morgens het stoepje opwippen. En zoo wisselden de kansen van haar geluk, met het eerste inkomen van verschillende personen. Het was letterlijk een lichte en een zwarte dag, of Mooie Karei het eerst 's morgens zijn pruimtabak kwam halen of Ouwe Droppel. Na Karei was er dien dag één bel-géklingel, na Ouwe Droppel bleef -het dood als om een zerk. —
— Ik loS m'aège nie fèn achtere èfrolle.... zei ze
met aandringende zinnigheid.....'t is sau as 't mot
weise.... en nooyt nog hep ikke 't ènders gesien.... Ook Oome Huib bracht geluk mee voor haar zaak. Zijn krakerig en sleperig-langzaam klinkende oudemannenstem beefde hoog:
— Neil,.... ikke kom.... maèn.... bruyn braud
36
De Jordaan