298
liet betalen. Zijn pruimpje spoog hij tegelijk met een dreunenden vloek naar den grond״
— Maade, nou mèg je kauwe!____ lachte Karei,
moppen en brokken taai-taai uitdeelend, als Jaap, en plots begon hij tusschen het markt-gewoel, binnen den doorloop, concurreerend te venten, vlak voor Jaap's koek-kraam, alsof hij zelf op de Lindengracht stond met visch.
— Wie lust,.... 'n brok meroakel feur 'n spie!.... bik feur 'n ruyter te foet!.... gerold uyt 't rauje kèrbiessie van Kei Klucht!.... Wi-je-nie, pierele-
mortes!____ kauw den op 'n stuk meroakel feur 'n
spie!.... Wie lust!.... 'n sint 'n brok!....
Een nuffig dienstmeisje, in het zwart met witte schort en hoog, wit halskraagje, van de Keizersgracht een half uurtje naar de markt gelokt door de koopjes, trippelde met minachtend-stroef gezichtje voorbij. Mooie Karei zag dadelijk het branie-gangetje van het rijkeluis-dienstmeisje.
— Hei! juffer kurnetje.... aulik gondeltje .... lus je auk 'n moppie? .... drong hij op, met een stuk koek vlak voor haar neus.
— Jessis, viese vent!----veegde ze haar mond af,
griezelend van zijn aanraking.
— Fiese fint?.... hoonde lollig Karei terug, innerlijk geraakt door het wipperige nest,.... hèi je wel
iedere dèg sau'n hèp freite!---- Dekschoal!____
soeptrien!.... Kom je hier 'n fraèjer opduykele.... 'n leiferensier fen de blik'ke soabel! juffer Heire-grècht?____
Een menschen-kluw versperde het dienstmeisje den weg, dat vuurrood van schaamte en gekrenktheid wou doorstappen. Maar ze kon niet tegen de woeling in. .
— Wèt bi jèi feur 'n fierduytstuk? .... gierde Karei