83
Tot plots hoog zijn tenor-stem over al het Linden-grachtgewoel uitschoot met het deunerig liedje:
— Seife-seie-spèk____ binne drie-en-'n-hallef vèrre-
ke____ drie-en-'n-hallef vèrreke.... binne seife-seie-
spek! ....
Dan lachten de vrouwen en keken glunder naar Mooie Karei, naar zijn fonkelende oogen, die zoo gevaarlijk staken van pret.
— Kaak nie sau mokkerig minse en kaup die schaune beisies!.... je smult se bei je tuyn-segoar!.... je meubelemint kan se békke, kauke, broaje ....
En weer schoot geweldig zijn stem uit:
— Seife Bokke-bekke.... gonge poaling-trekke.... Hoarlem-mer-o-ho-lie!.... Hoarlem-mer-o-ho-lie!-Moeder.... frauw.... maad.... je mèg maan 'n steik deur me broadmaule geife.... as je hier ein dauje kaupt....
Stijn, met rauwige stem hielp luidruchtig mee, ópgezwiept door Karei, en sloeg de doode IJmuider-ijs-scholletjes een soort krul-kramp in den staart, door de ontzettende pats waarmee hij ze op de schaal neersmakte. Soms, als het wantrouwelijk volks-publiek niet gauw toehapte, stootte een drift op in Stijn, sloeg hij zich de vingers tot bloed tegen de ijzeren pinten van zijn schaal. Karei lachte koud om die zelf-verminkings-drift, spotte zijn vent-zang af, al vuriger en dubbelzinniger. —
Maar Stijn gromde dat alles zoo traag ging, en vervloekte den belabberden handel, met al zijn slaaproo-vend gezwoeg voor een hand koude koperen centen. Heele nachten, weken lang, overeind, geen rust meer in de oogen, op avontuur zonder spanning, op den dag ventend en je dood-zweetend in een afmartelende hitte .... het kón zoo niet langer! Neen, dan maar weer tillen in de ploeg. —