176 ARON LAGUNA
B a r u c h.
En ... je geloof... in ... in ... hun ... (wijst naar het raam).
A r o n (onderbreekt, bezield). Blijft!... blijft!
B a r u c h (hevig aangedaan). Ik docht... dat ik jou ... nog iets kon... brengen ... van mijn !... Ik dócht 't!... (bijna huilend) Ik... ik... eh ... ik zié 't jonge ... Jou ... jou kan ... kén 'k niet helpen !
A r o n (toonloos).
Nee vader.
B a r u c h. Bij God ... bij God... ik bééf ervan!
A ro n.
Waarom ?
B a r u c h (hevig aangedaan).
Omdat je mijn zoon bent... bloed van mijn bloed... vleesch van mijn vleesch!... En tóch ... toch sta je een wéreld van me éf!
A r o n.
Dit heb ik altijd geweten.
B a r u c h.
En tóch sta je vlék bij me jonge ! (plotseling in spanning). Laat je vader je nou es in je oogen zien!... (hevig). Ik zié 't Aroon ... ik zié 't... je vertéért van verdriet!... Verberg je je dan tóch weer voor me ?