166 ARON LAGUNA
Baruch.
Stil jonge... goed... goéd dan, stil maar. (een pauze). Nou ben ik bang...
A r o n.
Waarvoor ?
Baruch.
Dat ik niet meer kan vragen wat 'k wil. A r o n.
En ik zei u, vrijuit te spreken?
Baruch.
En als ik 'n wóórd rep van Baruchie ... (buiten klinkt plotseling een vreeselijk hoera-lawaai)... Hoor je dat rumoer?
A r o n (plots stralend).
Ja vader!
Baruch (innig-kinderlijk).
Mig ik nou tóch vragen?... God-god... ik mot zoo taste bij jou... zoo... doodvoorzichtig taste!
A r o n.
Spreek. . spréék vader... spréék toch! Baruch (grijpt Aron's hand).
Heb je... geen... zielsverdriet jonge van... van... Lea?
A r o n (snikt onderdrukt. Een stilte).
Daar wil ik niet van hooren!