TWAALFDE HOOFDSTUK.
I.
Corry loerde op Joden Jet en de koppelaarster wist het. Ze waagde zich nauwelijks meer alleen de Nes door. Joden Jet was gemeen-wreed, óver-sluw, maar laf en doodsbenauwd voor een onverhoeden overval. Om geld zou ze den duivel dienen, maar opgejaagd moest ze dan niet worden door angsten voor overrompeling en manslag. Ze kénde Corry en achtte deze dolle, mooie meid tot alles in staat. Zoo als een rat schichtig onder straat-gedruisch van een speklaag snoept, zoo had Joden Jet door gulzigheid gedreven, het gewaagd Corry te naderen. Nu leek alles gelukt en tóch mislukt. De deern zou losbreken. Joden Jet paaide smeigelend Manus; maar dié voelde niets dan spottende verachting voor haar sluwe en ophitsende daad. Hield ze aan, dan zong de Bochel zacht-sarrend:
Op mijne tochte Wat 'n dwarse bochte. Hoe freemd geflochte Was mijn bestaan.
Dan begon Joden Jet te vloeken en te razen; antwoordde Manus haar telkens weer met brokjes vleiende zinnen over Corry, vroeger ópgevangen uit Jet's eigen zoethout-kauwenden grijnsmond.
— Dat kreng, dat dolle niesse, geeft mijn een of andere v dag 'n soentje, 'n por!... Dat sel je beleeve!
— Die meid? ... treiterde Manus doodkalm,... heb d'r weerga nie.
'n Soentje: 'n messtoot.