397
nassi nassi goreng,... lachten omdat ze niet verstaan werden en van het luidruchtige gesnap der meiden ook geen stom woord begrepen. Ze radbraakten drie talen dooreen: Noorsch, Maleisch en onverstaanbaar Duitsch» om eindelijk met een enkel simpel gebaar door Corry, Schaartje of Beige Suzanne, in een hellen lach plotseling te worden ״doorzien".
— We deursien jullie, Jantjes!... gierde Koosje en de meiden, zich veilig voelend in hun taal die niet verstaan werd, schimpten en scholden oolijk en óverdurvend de vreemde gasten pal op hun gezichten uit, spraken ze toe met gemeene spotnamen, hekelden hun ras en geboorte, en zinspeelden telkens op den roof hunner duiten.
De vreemde roeiers, de gebruinde oolijke snuiten hóóg tegen bries en zon ingeheven, lachten onnoozel of lichte-lijk-argwanend mee, beseften instinctief dat ze voor den gek gehouden werden; begonnen dan ook, al rukkende de riemen en voortschietende over het hemel-inspiegelend water, te broddelen hun taaltje en grinnikend te smon-selen en te lachen.
Dan keken de meiden zuur en bits, tót de Jantjes er weer met zang den jool tusschen sloegen.
Corry keek met verrukking in het klare gesprankel van het water, waar de zon stoeiend een zilver vuur overheen stoof. Het spatte voor en achter den boeg en trillend langs den sloeprand. De Engelsche stuurman lonkte haar dolverliefd toe en zijn open lach rolde over de spetterende en vonkelende golfjes, van het roer naar de spits. Corry vond iets heerlijks in het verwarrende van het feit, dat ze hem en de matrozen niet kon verstaan. Dat gaf haar een gevoel van op avontuur rond te zwerven in een dood-vreemd land. Ze bekeek gretig de tatoueeringen op de armen der roeiers, in allerlei kleuren, zooals ze het nooit op den Zeedijk kon zien. De eerste had een bronzen lantaarn met hengsel en krulpunten. Die naast hem, een schildpad met rood staartje. De derde een vogel op een
Nassi nassi goreng: gebakken rijst.