346
haar gezicht neerpatsen... en dan ging hetl Ook haar zusjes zouden haar verraden, dat was vast. Spijtig) Nou kon ze het niet dragen, op een enkel stukje na. Ze had het ook Mooie Jo, Willy of een andere uit de Alhambra kunnen laten bewaren. Maar al die meiden waren even valsch en behandelden elkaar zoo liederlijk. Nee, zoo werd het het best. Manus... de geheime bewaarder van haar verborgen schatten! En weer lachte ze om het fijn-komieke van het heele gevalletje.
Matje Scheefduim had uitgepast en afgemeten in het goed van Jet en eindelijk was ze klaar met haar ״zomer-tewelet op de lat". Joden Jet pakte weer in, met het eeuwige stroohoedje op haar hoofd. De bungelende geranium bukte, sliertte en arbeidde zwaar mee op het bewegelijke, schriele lijf, dat emballeerde en omrolde en met touwen bijeen-perste. Telkens, onder het saambinden, smonselde en grijnsde ze wat onverstaanbare woorden naar Corry over haar schandelijk gedrag, haar ondank voor al de bewezen vriendelijkheden. Corry treiterde en wipte met de mooie beenen, wat Joden Jet verhitte en verbitterde tegelijk. Nou zou ze verder Manus wel sturen, gromde ze naar Matje. En ze schold fel op den Zeedijk. Zoo een smerige rotbuurt bestond er nou nergens, viel ze uit.
— Rotte en muize loop je hier dood,... anders niks!... grijnsde ze, terwijl ze bedelde om een eind sigaar en een ״heet slokje".
Matje keef, dat ze dan maar in haar fijne steeg moest blijven.
— Swarte marskramer!... schold Corry.
— Rotte en muize, anders niks!... hield Jet grimmig en somber-kwaardaardig vol.
Jet werkte niet altijd éven graag op den Zeedijk. De buurt was haar te gevaarlijk en te onveilig met al zijn stikdonkere dwarsgangen en sloppen. Zij kende er wel al de kroegen, al de holen en al de kamers van de plezier-^ meisjes. Maar dat vaarvolk, met haarlie messen,... nee, daar moest ze niks van. Hier kon ze slechts in-, weinig