344
— Noh,... zoo waar... zoo waär... noh ... dan gaan ik na je honk!... dreigde Jet woedend.
— Fan mijn 'n frij tremmetje!
Joden Jet kookte, voelde dat de meid het won. Ze zou het over een anderen boeg gooien.
— Pas op me nieuwe overschoene ... mit lakneuze!... lachte ze naar Matje, die op haar teenen trapte.
En zacht laveerde ze óver naar Corry.
— Zoo'n door-en-door verstandige meid,... vleide Jet.
Corry lachte scherp, onthulde in haar geschater, zonder een woord, Jet's valschen draai. En plotseling zich ontmaskerd voelend, grauw het gezicht, de fletse oogen trillend en ziek van zwakte, viel het wijf krijschend uit:
— Naüw,... naüw gaan ik nä je vader!
— Heb duivedrek klaar!... treiterde Corry door.
— Dan... dan... al giftiger stotterde Joden Jet tegen de plagende kalmte van Corry in,... dan komp ik je moeder over je spreke, over je gedrag!
— Die? ... die trap je de lende hol!
— Dóch... dóch... bang maak je me nie!... Tsja!...
Jet is nie bemore!____ Je zal zien, niesse,... ik breng
de heéle buurt in opschudding!
— Fijn!... Jet in de Jordaan!... Och mens,... se trekke je daar léfedig fan mekaar!
Corry lachte schel en sarrend in een feilen triomf. Joden Jet begreep wat de meid bedoelde. Ze was té bekend, overal te bekend, met haar hoed, haar voiletje, haar mantel. Alle straatjongens scholden en schimpten haar na. Zou ze zich in die buurt onbeschermd wagen? God zal haar bewaren... dat gatijsem!... Joden Jet vervloekte ־ nu de blonde meid, dat gooy'sche gasser,... die haar zoo meer als een half meyer afzette! Die had ze nou gelokt, getrakteerd; in de Nes gebracht bij Madame Maas in de Alhambra! Die had ze nou het medaljon-hartje gegeven, zoo maar voor niks-niemendal,... voor de wereld-
Gatijsem: schoeljes. — Gooy'sche gasser: christen-zwijn. — Meyer: banknoot van honderd gulden.