332
Toen raasde Anne Looy, in haar benauwing voor moord-slag en politie, tegen de meiden uit. Eén jaar was ze hier verzeild in handen van Kleine Luuk. Maar ze huiverde van al de daden en gemeenheden.
— An me Sondagsche rijbroek je prefelemint!,... sarde Riek, den verwrongen kop in dronken lach.
Toch luisterden Lange Lien, Zwarte Dien, Corry en Beige Suzanne naar den jammerangst van de opgewonden Anne.
Zij had een kind van Kleine Luuk, dat ze moest uitbesteden voor drie gulden per week bij een doodarme nekeive. Straks ging ze haar kindje zien, vertelde ze met vurige vergenoeging.
— Hod jij fan die onderkruipers? ... beet zuur en vol wreed venijn Riek Kop-zonder-Kies er uit.
— Dol,... dól!
•— Bah!... wrokte Riek voort en haar wilde oogen staken hard van minachting naar Anne,... wa ik nie op me vent's naam ken sette... mót ikke nie!
Anne rees driest overeind.
— Wa méén je kreng? ... vroeg ze wit van drift.
— Ik meen wè ik méén!... hoonde Riek sarcastisch door, en ze bestelde:
— 'n Rondje jenever feur de slette op groot lef!
Cobus keek.
— Hier is poen!... en ikke seg... 'n getrouwd niesse is d'r asijnsuur!... niks an te bederrefe!... brulde en vloekte ze en woedend sloeg ze een bierglas tegen den tafelrand stuk.
Anne werd door Koosje, Zwarte Dien en Lien weer sussend op haar stoel gedrukt en de vlaag woei over. Koosje's vooruit-springende bovenlip trilde en de mondhoeken plooiden de grijnswangen tot een huidzak. Anne " vertelde dat ze nou een smoek weekwoninkje had op haar naam; kon haar jongentje rustig spelen. Toen kakelden en scholden de meiden dooreen dat de huisbazen zulke
Nekeive: straatmeid.