312
behoorden. Nu die wijven tegelijk met haar om muziek hadden geroepen zweeg ze en wachtte. Maar Tante Lien gaf een sein aan het ״erkés".
Lusteloos en droef begonnen de bleekneuzige joggies van Manke Riek, hun ontluisterde harmonica'tjes uit te zwellen. Triest zaten zij tegen het moederlichaam aangedrongen op het smalle verhooginkje, vlak onder het frontraam en nabij de zwarte piano. Een wijntintige schaduw overduisterde den hoek, opgekropen uit teruggeslagen licht van roode lampenkappen der zoldering. De flauwe oogjes van het oudste knaapje knipperden in het vaalmottig gezichtje tegen den branderigen rook en den heeten straatdamp die inwoei. Van overal gloeide de duisternis zacht aan achter het schuifgordijn, en de zilverlichtende tuinballen, van de lage zoldering neerhangend even boven de dansende paren, spiegelden flikkerende glansgloeiingen rond de woelende troepjes.
Manke Riek bedekte bijna geheel de armelijke avond-zwoegertjes achter haar bakbeest-log instrument dat met een glimmend-uitgesleten riem, borst en schouders over-knelde. De kleine, smalle en bemodderde voetjes der twee leelijke joggies schommelden zachtjes onder het rukkerig spelen over den zandgrond en het slaperige snuitje van het kleinste harmonica-trekkertje leek bleek in te dommelen boven het zwak gejammer van zijn klankenkastje.
Telkens heftig schrok het mannetje uit zijn snurkerige ademhaling op als zijn moeder, onder een geweldig zuchten van haar groote harmonica, een donker-grom-mende begeleiding tusschen de tenger-zingende melodie van hun instrumentjes wegstootte. De piano roffelde dor-houtklepperig mee en telkens rende nieuw volk in.
De Jordaanmeiden, slank en fier in hun zwarte, lange boezelaars, omzoomd met fluweel, bestelden, de opgesmukte snollen bédelden bier.
Uit „De Duitsche Keizer" tegenover „De Gele Ballon" daverden schelle klanken van piano, fluit en viool, tegen de walsmuziek van Tante Lien's huis in, als een uitzinnige