3io
Blonde Kee, een van Corry's pronkerige Zeedijk-adjudanten. Blonde Kee met schotskleurige blouse, hield van herrie onder herrie en van twist tusschen twist. Ze zocht en lokte heen naar alles wat haar beviel.
— Mesiek!... anpappe... mesiek!... schreeuwde ze weer naar het buffet.
— Jij krijt d'r 'n gat in de muur, . . . schertste Karei naar Kee.
Die, dol op den knappen kerel, diende rap-gretig van antwoord.
— Kijk . . . soo'n frijer in de koelte!
— Stopnaald, . . . grinnikte Karei.
— Ga deur!
— Spreek maar tege me rug, me kop is de stad uit.
— Jij bin d'r tuch oferal tweedes, mi wè je seit en siet! . . . hoonde Kee.
Hou je toeter!... ouwe brug,... lachte Karei weer.
— Se kenne jou nie pruime!... proestte Kee terug.
— Slappe margriet!... grinnikte Karei opnieuw, terwijl hij plots zwaar zuchtte en zich naar de deur toedraaide.
Buiten tierden en raasden de doodgeblafte stemmen van de drie dronken vrouwen bóven de wilde muziek der danskroegen en de ophitserijen van het schuim, uit steeg en kelder.
— Se huile om hulp fan 't Wijngaardstraatje!... lachte Tante Lien aanhalig tegen Karei Burk.
Ongedeerd en onbevreesd keek de stoute waardin van ״De Gele Ballon" naar de helsche woede-uitbarstingen der krijtende en scheldende wijven buiten. Oorwurmen en kakkerlakken noemde ze de heele bende uit de Wijde Kapelsteeg en het beruchte Wijngaardstraatje, waar het kwaardaardig gonsde van booswichten en messentrekkers. Ongeroerd voor de beestachtige driften van dronken of jaloersche Zeedijk-gasten, bleef Tante Lien doodkalm tronen achter haar buffet, al scheurden meiden en kerels elkaar open. Onder de vreeselijkste vechtpartijen, vooral op Zaterdag-, Zon- en Maandagavond, als