308
zeep-golven, ontredderde storm-horizonten en stukge-brokkelde kasteelen verhaalden in grove schildering van de Amsterdainsche romantiek der zwaargezoolde Zeedijk- kasteleins. En om dadelijk die zeemans-romantiek van stormgevaren, vuurtoren-seinen en angstig menschenge-huil een adem van bestaand leven te geven, werden met Hollandsch-hardnekkige nuchterheid op de kleurpronke-rige taveernruiten te fonkeling gezet, onder de roode, gele en petroleum-rosse licht-afschijnsels, — tusschen de schilderingen in, — rolmops in corpulente stopflesschen, baring in groen-glanzende aquariumpjes, zure aal in aarden potten, hómpen beschimmelde kaas onder smerig-be-wasemde en gebarsten stolpen, en vies-omgekronkelde bloedworst-stompjes in gekleurde paascheieren-netjes.
Het jammerjankend gehijg der zware klanken van een scheurende en dreunende harmonica, omgloeide als een dolle kermisroes den Dijk en steegjes, en overal beierde deze noodstorm van bulderende, kermende, scheurende en loeiende muziek-geluiden. Van allen kant doken weer zwabberende kerels en matrozen op, verbroederd met het zeevolk van vreemde schepen, wadende in de oververzadigde atmosfeer van jenever, rook en tabak. In hun vaart vingen ze, uit zengende gelagkamers, ontvluchte muurbloemen, die te ongeduldig waren om op vaste dans-vrijers te wachten. En in de krioelende strapatsen van op roof en drankbedwelming azende en rekenende souteneurs, joegen de meiden hossend en wild mee met de argelooze pleziervaarders van de zilte zee. De grof-sen-sationeele prikkels welke de vrij-zwabberende kerels van liefde en bloed deden droomen, gingen hun gruwelijke bevredigingen tegemoet in ontzinde zwelgzuippartijen die volgen zouden in de heete tapperijtjes, tusschen stree-lende en zingende podium-meiden van een tingeltangeltje en in de schemerige, zwoele danskuilen van Raap en Habbekras.
Liefde en bloed, zoo gistte het in hun eigen binnenste, als het vlijmmes door de jeukende en tintelende vingers schoof en hun hart van dronkeimanswee uiteengescheurd