20i
hij zwijgend luisteren. Joden Jet stond gebluft. Toch maar gelukkig dat ze alles onder vier oog en had gezegd, want de vuile nikker telde niet mee, was tóch geen mensch. Wou hij nog méér? ... Zoo een smeerpoets, zoo een simiecht! Wat hij dan wel betaalde? Wou hij Zeeuw-sche of Friesche boerinnetjes? Wat een wellusteling! Toen joeg ze het vuur laaiens óp, naar ze dacht; en ze vertelde aanlokkeEjk, verleidelijk, van haar reizen,,.. van haar ״zelon". En wat zij niet had, kon haar concurrente leveren; die bezat al het gereedschap; proppen, houten peren. Al gilden de meiden huizenhoog, niemand kon ze hooren,... alles werd gesmoord. En de blinde venstertjes achteruit... en zij, zij zélf of haar concurrente, waren ziende blind en hoorende doof. En voor meneer de Baron geen schimmetje gevaar. Zoo geslepen en sluw als zij dat klaarspeelde kon het niemand,... meneer de Baron mocht haar gelooven. Ze had zooveel fijne klanten al,... uit Parijs... Brussel... Londen. Wou hij bewijzen? Omdat zij overal sloop! En alle geheime verlangens van de heeren kende... Als hij maar dokte ... En haar leelijk sluw gezicht grijnsde weer verwrongen en het fletse grauw van haar oogen begon te gloeien van wilden hartstocht onder de monsterlijk-ontuchtige combinaties die ze uitdacht voor „meheer de Baron".
En nóg stomden zijn lippen. Hij had toch duizenden en duizenden? Toen, éven, zag ze zijn mond bewegen en eer Jet het besefte lag ze te spartelen op haar stoep. De neger had haar opgehaakt en neergesmakt als een vuil pak kleeren. Ze vloekte en de oogen liepen rood van krankzinnige drift. Maar tegelijk beefde ze aan handen en voeten. Zoo een weigering, zoo een smadelijke bejegening had ze nog nooit van een rijken zwabber ondervonden. En toen ze hem later in de Nes, Impire en Alhambra was tegemoet geloopen, had hij met zulke ijzig-harde en strenge oogen haar aangekeken, dat ze dacht het te besterven. En in zijn dronken buien barstte hij een enkel keer inéén uit, naar haar, en openbaarde dan vreeselijke