ii5
en lei hij zichzelf in gekke tegenspraak te verdubbelen. Dat ging niet. Was het mogelijk dat éénzelfde wezen twee geheel tegengestelde gedachten in zijn brein kon zien en voelen ontspringen, bijna vlak na elkander en allebei voor waar hield?
Kijk, nou had hij toch een heerlijke denk-kluif te beknabbelen voor zijn stillere peinsuurtjes. Als zijn pijp nu maar eens licht trok na het versche doorstoppertje, dan zou het temeê gaan. Zie je, dat wirwarrende van het leven, daar kon hij niet tusschen- en achterdoor loeren. En dat wou Manusje toch zoo graag. Gisteren vond hij, om het nou zoo vlotjes-weg te vergelijken, de menschen tegenover malkander als spin tegen pad, en alles zoo walgelijk en verachtelijk als een dominee spuwende op aangebrande rijst. Dan kwam hem het water tot aan de lippen borrelen en zag hij niets dan gekke duivels duikelen op een altaar. Valsche vromigheid alom en brandende hebzucht er onder. Een dag later roerde hem weer de kleine weldaad van een armzalig tobber die gaf en hielp met onopgesmukte, diepe barmhartigheid. Als hij zoo tezaam de dingen na elkaar beleefde, raakte zijn verstand in den kronkel. Dat werd met de neergestorte asch van drie safiaantjes nog niet opgeklaard. Trijn of Jan Klaassen had hij zichzelf gezeid,... alles één pot nat... De heele onbehouwen wereld was een liederlijke zooi en een poppenkast. Goed!... Maar waarom pestte hij Jet dan zoo? Waarom goot hij olie op haar stormgolven en maakte hij bij haar van alles een kwade rekening? Als hij doodbedaard en onverschillig bleef voor ieder ding, waarom zag hij dan altijd weer en weer het kermende gezicht van dat kind uit het prieeltje, dat zich verdronken had van angst? Bleef zoo een wezen in haar lotgevallen hem dan niet even ver als Joden Jet? Daar lei de knoop weer van zijn verstand. Hoe kon hij, al was het dan ook in zijn droomen, zoo blij het lieve bakkesje van het dienstmeisje
Safiaantjeg: sigaren.
8*