I 70 FRAGMENTARISCHE KRITIEK.
hooi. Elk ander schilder zou tevreden zijn geweest met het bereiken van 'n zeker lichteffekt en de suggestieve werking, die het schilderen van 'n zomerdag op het land in den toeschouwer kan opwekken. Maar Van Gogh wilde honderdmaal meer. In iedere lijn van dit slapend mombakkes, in iedere kontour van de afgewerkte ledematen wilde hij geven de tragiek en de snakkende uitdroging van 'n brandenden, alles verzengenden zonnedag en daarin toch de rust, eigenlijk meer verdooving dan rust, amechtige verzwijmeling. Op dit schilderij dampt de grond hitte uit, het gloeiende hooi wiegt de slapende lijven, de klompschoenen rusten, de sikkels er naast rusten, en de zonnezwijmel, de hitte van den landmiddag blijft stoven en doorzengen alles wat er op ademt. De luchtkoepel is van zengend blauw en boven de slapende wezens de gloeiend-gouden berg, even verduisterd in z'n eigen slagschaduw en in het verschiet die hooistapel, waar het licht op uit knettert en de vlammen van af slaan.
Ik zou U kunnen spreken van den stoel van Vincent, waarin de heele man leeft, dien somberen, verschrikkelijken stoel, met z'n pijp en tabakszak erop, en het groene deurtje en den steenen grond. Het leeft alles als in 'n smartelijke grijns van gigantesken eenvoud.