I 70 FRAGMENTARISCHE KRITIEK.
zoo belikken onnoozelen alléén deze verbleekte frazetjes.
Het reformatorische in haar rhetoriek is on-menschelijk-hol en als ״kunstuiting" vol valsch geschitter, gelijk de kleurige franje om avondlijke karousel-lampen.
Haar psychologie is die van een mopperende chaperone, klagend over steken in 't hart, ekster-oogen en 't leelijke effekt harer niet onbeminlijke wratjes. — Ook, als van een blauwkous, die zich het blanket en poudre de riz-stuifsel van een jeugd-kokette zuster op het tanige gezicht tracht te waaieren.
Haar affekten zijn van een niet onbeminlijk begijntje, wier zolen jeukerig-verhit gloeien boven 'n doorstoofd duf-riekend testje vuur.
En ze kan breien, breien en borduren en haken!
Soms maast ze de gaten van haar blauwkou-serige rhetoriek dicht, in gezelschap van wérkelijke geestelijke aristokraten, en ze doet 't, kuchend, van-binnen-in borrelend, als menschen met leege magen, naïevelijk en schaamteloos-onbewust.
De groote levensstormen der Revolutie zijn over haar heengegaan.
Is het schavotbloed naar haar gezicht ópgespat ?