I 70 FRAGMENTARISCHE KRITIEK.
Moet deze man ons de, van heilig Midden-eeuwsch schoon doorhuiverde mystische romantiek van Shakespeare en Dante, de ziels- en geestesmacht van Rousseau en Goethe laten voelen ?
Zeg niet, dat ik zijn oordeel over 't boek in het kader van den tijd moet bezien. Want juist Huet maakt het van alle tijdverband los, en plaatst 't met koortsigen roep op het plan der eeuwen-groote kunst... ״dan bereikt, — luister maar! — het verhaal den hoogsten trap, waartoe ooit eenige literatuur geklommen is!" ....
O, sneersche Huet, hoe klein zijt ge hier, hoe vaal en slap is uw schoonheidsbesef!
Vierde exklamatie:
„En welke standen, welke gebaren, welke lichteffekten! Delphine, zich voor de deur plaatsend, wanneer de regter wil heengaan en haar ontwijken"; (volgen tusschenzinnen, Q.), — „al die trekken getuigen om strijd van eene kunst, gelijk alleen het genie kan ingevend
Vijfde exklamatie:
„Hetgeen omgaat in Delphine's hart en hetgeen voorvalt om haar heen, — het vloeit alles te zamen tot één tafereel vol licht en schaduw, vol teederheid en zielskracht, vol eenvoud en vol majesteit."