I 70 FRAGMENTARISCHE KRITIEK.
Zijn felle misslagen in bewonderings-exklamaties zijn er de lévende bewijzen van.
Huet kende den hartstocht niet, die den mensch tot den hemel öpstoot, of naar de hel terug laat tuimelen. — Hij heeft nooit voor zijn bedaarde en deftige oogen de passie zien rooken en vlammen, licht en schaduw zien versidderen in het almachtige leven.
En ook kende hij niet het zacht ruischend geluk, het levens-geneurie.
En het machtige stijlgegolf kende hij niet, en het zielsgedein niet, en 't gesluimer van de groote geesten niet.
Zou hij den zoeten huiver van den Droom gevoeld, en 't visioen van 't diepe, Innerlijke Smartleven ooit anders gezien hebben dan als bedaarde, bezonkene, evenwichtige, nuchtere Hollander met veel verstand, veel snaaksche fijnheid?
Neen, Huet bekeek 't leven niet in den zeespiegel, onder 'n eindeloosheid van lucht, maar in de konsole. Er zit salon-kauserie in zijn werk ; 't korrekte, konventioneele besef van stijl-deko-rum en gevoels-dekorum.
Hij kon niet meejoelen met den god'Iijken־ jubelzang der groote zielen, en het geschrei hunner harten klankte geen adagio-van-smartert in z'n oor terug.