148 OPENLUCHT.
Je blijft nog met allerlei vragen zitten over dien Lowie.
Als schets heeft 't ook geen verhoudingen. Lowie voelt, in den aanvang vooral, als boer, dingen, die alleen Streuvels de autéur hem in de ziel perst.
Veel meer ontroering heb ik gevoeld bij 't schetsje: ״Grootmoederken". Telkens zeg je 't bij je zelf: wat 'n sensitieve, innige, fijne, stille en droomerig-diepe natuur moet die Streuvels toch zijn. Er zijn zinnetjes in z'n werk zóó klaar als het geluidje van een zingende fluit over 'n watertje; zinnetjes ook van zoo'n sensitieve diepte, dat je 'r van te kijken staat. Er gaan kleurspelingen door zijn werk, als goud onder boomengroen, en sentimenten van zoo'n eenzame bekoring en stilte, als roode zandpaadjes van een schoon schemer-dorp, waar heel droomerig de dagkleuren op uitsterven.
„Een nieuw Hoedje" is als psychologische schets zeer goed gelukt. Maar de taal van dit brokje werk is zeer slecht hier en daar. Lees eens pag. 65 en 71 bv., die wanluidende opperst-leelijke dooreenwemeling van „wasjes" en„hadjes".
Als donkere taaiwratjes en klierige vleesch-bultjes, zoo zitten ze geknoopt tusschen de blankte van de psychologie. Ik zal mij maar