148 OPENLUCHT.
buiten die innigste aandacht gaat, zal voos, valsch werk blijken te zijn, leeg en oppervlakkig, heeft met de groote kunst niets uitstaande. Die studie is onontbeerlijk. De heerlijke Rembrandt heeft ze daar gemaakt op zijn gebied; de verrukkelijke Beethoven in zijn visioenaire klank-droomen; waarom zouden kunstenaars van kleiner beteekenis er zich strafloos aan kunnen onttrekken, als het voor de genieën zelf een geestelijke wet blijkt te zijn.
Lees je nu bij een auteur beschrijving van een avondstad, een ochtend-land of wat ook, en je hebt al die stemmingen van stad en land doorleefd, dan voel je van iederen regel, van iedere koloristische of tonaliseerende aanduiding of het gewawel is, simulatie van een schijn-artist, of uitstorting van een ècht-voeler. En déze heeft dan ook die goddelijke, die verhevenste aller studie doorgemaakt. Het is 't bespieden van het eeuwige met een zingende ziel. Want het licht en de kleuren, de lijn en de tint zijn eeuwig, al wisselen ze telkens.
We zullen nu zien, hoe Streuvels tegenover dat leven staat.