OPENLUCHT. 147
van het zilveren licht, en hoe zal hij iedere tint, iedere tintspeling afzonderlijk en in de harmonie van het geheel wonderlijk-innig hebben bestudeerd, vóór zijn penseel aan het mystiek zweven ging.
O! die avondtochten in vreemde bosschen, langs schemer-akkers, door weilanden, wat overstelpen ze met hun geuren en sterflicht je zoetste herinnering.
Maar dit alles is geen studie, nogmaals zij 't gezegd, van 't verstand, doch van de ziel en hoogste en zuiverste aandacht.
't Bestudeeren van zoo'n maan-landschap, ieder geluid er in te vangen, ieder fluisterend geheimnis er in te voelen, iedere lichtspeling er van te begrijpen, — je mag er niet van schrijven, of het moet in zóó groote intimiteit door je heele ziel opgenomen zijn.
Dat is nu de verklaring die ik geef van het experiment en het onderzoek en die niets heeft uit te staan met een Claude Bernardsch-stelsel van waarneming en proefneming.
Zoo, precies zoo, moet ook het experiment en het onderzoek worden toegepast op het leven, de karakters, de mensch-hartstochten. Want ook die leven in hun eigen atmosferisch schoon, hebben hun eigen licht en schaduw. Al wat