OPENLUCHT. 147
O ! de taak van een modern groot schrijver is niet gemakkelijk, 't Beschrijven van een polder bv., 's morgens, 's middags, 's avonds, 's nachts, als ieder brok aarde wisselende en andere tinten krijgt. Hoeveel keer moet je niet zien, lang en goed zien, na de eerste en alge-meene verrukking over stilte, lucht, en kleur-brand. Dan komt pas de groote arbeid. Zien hoe iedere kleur is van een ding op zich zelf, en hoe de kleur-tonen staan tegenover elkdar. Een schrijver, die werkelijk lééft in zijn arbeid, heeft de studie van het licht lief als een schilder. En al is de plastiek van den schilder door andere middelen ontstaan; de schrijver heeft een gelijke taak : den, zijn werk in zich opnemenden persoon te laten ingaan tot zijn schoonheidsvisie op een brok leven. Ook al ondergaan de zintuigen bij het zien van landschap-op doek, en bij 't lezen van een landschap-in woorden gansch gewijzigde werkingen, het resultaat moet voor de ziel van den in-zich-opnemer 't zelfde zijn.
Nu denken juist vele schrijvers, dat zoo'n beschrijving maar een onderdeel van den scheppenden arbeid is, die het groote publiek zelfs verveelt. Wie leest er nu beschrijvingen in een roman ! Dat wordt overgeslagen ! Prachtig ! En niemand kan al die stemmingen toch kontro-