148 OPENLUCHT.
de groot-menschelijke tragedie van zijn landzwoegers is van een goddelijke ontroering, van een allerhoogste levens-schoonheid doorschokt. Juist, Maeterlinck zegt: ״de dichter geeft aan het gewone leven (ik kursiveer. Q.) een toevoegsel, een zeker iets, dat het geheim is der dichters, en plotseling zien wij het in zijn wonderbare grootheid, onderworpen aan onbekende machten in zijn verhouding tot het oneindige, en zijn verheven ellende." — Juist! We hadden Maeterlinck niet noodig om tot deze waarheid te komen. Maar zie vooral, idealisten, wat er staat: hij geeft aan het gewone leven dit toevoegsel. Juist! Een groot romanschrijver is allereerst een groot dichter! Dat toevoegsel gaf Balzac, Zola, Flaubert, Shakespeare en alle groote schrijvers gaven het. De meest gigantische 't zuiverst. Laat ieder kunstenaar maar het „gewone leven", het dagelijksch bedrijf der menschen beelden; hij zal er de hoogst-geeste-lijke kunst, de innigste schoonheid mee moeten geven, als ie groot kunstenaar is. Want dan komt juist dat toevoegsel, dat de aardsche dingen onder het aspekt der eeuwigheid plaatst. Idealiteit alléén in kunst doet niets, maakt den schrijver slechts belachelijk.
Alles wat een groot kunstenaar ziet, hoe „ge-