OPENLUCHT. 147
realistische kunstenaar niets anders doet dan zoo nauwkeurig mogelijk teruggeven wat hij van het dagelijksch leven in het bedrijf der menschen kent; en daarmee zijn nuchtere taak is volbracht; — dat hij dus, door nooit buiten de werkelijkheid te treden, ook nooit iets van een hoogere, geestelijke schoonheid vermag te bereiken, zooals die b. v. leeft en beeft in de tragediën der Grieken, waarin de verhevenste wijsheid van den schepper tusschen het gebeuren ingemengd is. De realisten zouden dus de kunst niet in voldoende mate van het stoffelijke leven weten los te maken, en zich zelf niet kunnen heffen in de hoogere sfeer der onaardsche schoonheid. Ik zie af van alle gedetailleerde kritiek op zulke algemeene beweringen, en zeg alleen: er bestaat geen ״realistisch" kunstwerk, wijl er geen „realiteit" is. Geen twee kunstenaars zien, doorleven 't zelfde objekt eenerlei. Ieder werkelijk groot kunstenaar heeft zijn eigen visie op 't bestaande. En in dè.t persoonlijke reikt hij juist naar de hoogste geestelijke schoonheid. Millet beeldde monumentaal arbei-dersslaven, zwart en gebeukt door den zwoeg. Maar daaromheen bouwde hij het trillende, levende landschap. In zijn werk is geen afzonderlijk „verheven wijsheid" uitgesproken, maar