STIJN STREUVELS״ ׳MINNEHANDEL׳'. I39
lévend karakter geworden is. Niet wijl hij zoo wispelturig en antipathiek doet, is hij onuitstaanbaar, maar wijl z'n innerlijk wezen ons niet zóó zuiver en doorschouwd gegeven wordt, dat we z'n wispelturigheid begrijpen, in psychologisch verband met zijn andere karaktereigenschappen.
Zijn landelijk Don Juan-schap moge een niet zoo luguber-allegorisch slot hebben als bij de Mozartsche schepping 't geval is, ook voor dien rustieken losbol ware een bevredigender einde gewenscht.
De taal. Valt niet veel meer van te zeggen. Buysse als Vlaming ergert zich zéér aan Streu-vels' taal en idioom ; vindt zijn uitdrukkingswijze erg onwerkelijk.
Ook mij schijnt, naast veel moois, veel naief-innigs, Streuvels lang niet altijd gelukkig met z'n vergelijkingen, beelden en Vlaamsche eigenheid. Toch zit er veel kleur en bekoring in.
De dialoog. Soms is deze mooi, zuiver, maar heel dikwijls, gerekt, vervelend en zeer literair .... dat is onecht. Met het verletterkundigen van gesprekken kan men zeer gevaarlijk werk doen. Dat bewijst de fransche literatuur.
Het is b.v. zeer eigenaardig eens nauwkeurig na te gaan hoe beeldrijk, soms visioenair, slachters en gewone boerenkinkels bij Streuvels spreken.