STIJN STREUVELS״ ׳MINNEHANDEL׳'. I39
onvruchtbaarheid en de kwaal der fransche samenleving.
Z'n menschen zij'n ellendige poppen, zonder innerlijk. Hun ziel is één groot cijfer. Hun aandoeningen zijn tabellen; hun dialoog en dramatiek van garsterige verstandelijkheid doortrokken statistiek-sommetjes.
Zoo is de kunst geheel vreemd aan zulk soort hersengewrochten.
In veel mindere tendentieuse mate natuurlijk, heeft ook Streuvels z'n laatste werk vertroebeld met een vóóropgesteld realiteits-zien.
Hij heeft het lustige leven en de vrije jongelingschap met al de leute willen schetsen, en nu geeft hij bijna niets anders dan vrijage, jolijt en jool. Nu lijkt het, of 't dagleven maar klein is; de jolijt, zang en min, groot en kleurig, dwars door de zware werkweken, -maanden en -jaren heen gaan. En juist omgekeerd wordt het groote zwoegende leven van kommer, gebrek, zorg, ongemak en arbeid, nu en dan maar doorkruist van wat vreugde en feestjes.
We krijgen in Minnehandel veel te veel één zij van het machtige leven voorgewenteld, altijd den dans, den jool, de schuimende vroolijkheid, de vrijage en de min. Het wordt vanzelf operette-gedwarrel.