STIJN STREUVELS״ ׳MINNEHANDEL׳'. I39
De Hollanders hadden 't bestaan verletter-kundigd, zij brachten de letterkunde weer tot 't frissche bronleven.
Zoo leek 't, zoo groeide 't. De groote geweldige levensstroom van het machtig-menschelijke had hen opgetild en in 'n woesten golfslag van hevig gebeuren naar ons toegesmakt.
Zij hadden 't rhytmische van 't eeuwig-men-schelijke door hun arbeid; ze deinden en wiegden er zelf öp, in hun taal en konceptie.
Ze stonden onder gouden zon en licht; ze verspreidden rond hen heen den geur van omploegden grond, ze bliezen uit den adem van 't land, ze omsproeiden ons met zoet van boomgaarden.
We zagen hoog boven onze oogen schitteren de bloeiende vruchten, de goudgele en goudvurige, de roodwangige vruchten; we zdgen de papaver-tooverij en akkerbloemen; we hoorden 't geruisch van zware boomen, en 't leven overstroomde ons aan allen kant.
O! die heerlijke zang van't Vlaamscheboere-leven.
Die rustieke innigheid, die kalme breedheid,־ die landelijke diepe ademhaal van dat onbekende leven!