324°
zijn hier de rotsen glibberig!... hoonde Maacha... Je stamgenooten strompelden wel tot de bronnen van de Jordaan... Loop... of moeten we je eerst de speerspits tusschen de teenen stooten, opdat gij huppelend uw dood tegemoet gaat? ... Je oogen zien zwart als een nachtzee... maar je voorhoofd rimpelt van angst voor de strijdkolf...
Simson verdroeg stil, schimp en brandend gezwets; hief het gelaat niet meer op en bleef zwijgen en in zichzelf Jehovah aanroepen.
Smadelijker en tartender nog drong Maacha de dampende paardenborst tegen Simson's zweetend-naakt lichaam aan en op één zwaaigebaar van zijn geweldige speer, barstten plots al de manschappen los. Als een rauw onweer raasden en kreten de opgezweepte krijgersstemmen dooreen en de naaktbuikige huurlingen gilden onmenschelijk. Hevige beleedigingen en vloeken gierden en slingerden den Hebreeuwer tegemoet. Enkele manschappen wierpen verholen, rotskeien die Simson's naakte schenen en boezem raakten, waardoor hij onder pijnlijk mond-kramp-trekken opschokte uit zijn gebed en droomrig staren.
Van alle kanten herklonk het woedende en oorver-doovende dreiggeraas der ronkende stemmen:
— Dood aan den waterzwelger!
— Breek hem de beenen, den halfbloed!...
— Hij heult met de duivelen... splijt hem de hersenpan!...