249°
die op altaren en hoogten, van de zee der Zonsondergangen, door woudgebergten nabij den Jordaanoever, het volk Israël — schriklijker dan Moab's Camos, — smaadden tot in het merg en bedreigden met een uitroeiings-oorlog. Onder pijnigende doorbraak zijner smart, kreet Simson opnieuw met hoonende stem naar beneden, in de schemerende dal-duisternis:
— O vreedzaam volk van Judaea, dat met uw rauwe stemmen in den nacht van Etham woelt, er de steengeesten verschrikt en een wreker Jehovah met uwe wapenen waagt te beangstigen ... zoo gij mij hebben wilt komt mij dan halen, hier, van de spook-donkere rotsspelonke, waar het jakhalzen-gejammer wellui-dender klinkt dan uw dwarrelend menschengekrijt... Komt, onverschrokken mannen van Judaea, uit den stamvader Juda, door aartsvader Jacob leeuw-vankracht-en-stoutheid geheeten,... komt mannen der heilige Leer, die ten tijde van den tabernakel, vol van geluksbelofte den voortocht hadden mét Issaschar en Zebulon;... die vroeger een brullenden leeuw in de barrière meevoerden, doch nu sleepen een leeuw met uitgebroken scheurtanden, met geknipte manen, kreupele klauwen en afgerukte nagelen,... komt mij halen, klimhelden van Judaea,... werpt uw trillende speren trillend door den avond... Uit duizend suizende worpen zal één mij wel het hart treffen!... Zwaait uw lussen, indringers, als vliegende slangen... Uit duizend slingerkeien zal één mij wel den slaap raken!... Schiet uw fluitende pijlen weg in deze