244°
Gekletter van flikkerende zwaarden verklonk weer in de omdonkerde vallei, uit de mannendrommen die woedend-opgewonden bleven schreeuwen:
— Laat de oudsten spreken, hun weeklachten!...
— Ja!
' J3 ♦ ♦ ♦ ja! « • •
— Laten zij spreken!
— Zoo zij het!... Nu spreke een der oudsten ... Simson, Simson ... luister naar óns en niet naar het heetbruisende bloed der jongeren, die hun bogen richten en hun slingers zwaaien tegen eigen volk!... Zij zijn opgetrokken, de vergramde Philistijnen, naar Judaea, in wemelende getale, met zingend-joelende krijgersmacht... Zij belegerden Lechi, opgekropt van haat en zij drongen tot hier door, met al het geweld hunner moordende waapnen... Zij willen een wraakoorlog!... Zij gaan niet eer weg, de dol-wakkeren, of gij moet aan hun macht zijn overgeleverd. Zij slachtten reeds rammen en runderen... Onze akkeren en ons vee staan met vuur en vlam bedreigd. Onze dochteren sidderen voor hunne woeste solde-nieren als voor de zwartmommige verkrachters uit het land achter de rivier van Cush ...
Weer trad Oreb, de vierde woordvoerder naar voor, ineengebogen:
— O man van Zoreah ... groote held ... zonne-arend van Israël... die de slang verscheurt... gij, die met uw eenzamen moed, gansch alleen uw volk wilt bevrijden.. . vernietig ons niet met uw