152
— de stamme Simeon, met al haar verstrooide nazaten onder Jacob's vloek zwartgeschroeid op de verdorven aarde, waaruit Adam was geschapen,... zij allen beseften de in-wijze offerdaad van hun twaalfden en laatsten Richter-verlosser en jongen held niet, die leefde in een mysterieuzen krachtroes en gods-begenadiging. Ook zij tezaam, in oorlogsgevaar, tastten Simson's bedoelingen mis en konden alleen in hem zien een dolwoesten vechtreus, een monster-krachtigen geweldenaar, die al zijn schermutselingen tegen Israël's vijanden in heete ijdelheid, overspanning en stout vertoon, op eigen houtje klaarspeelde; die door zijn hartstochtelijken, baldadigen spotgeest, wrang als salpeter, door zijn berouwlooze vermetelheid, de Hebreeuwers telkens in benauwingen bracht tegenover onderdrukkers; die eigen schatplichtig volk ergerlijk schaadde en prikkelend verontrustte met zijn rebellische daden.
Zoo was er ook schuimende woede in het land der Cheretim, na Simson's te-gruizel-werpen van gesneden godenbeelden en na den manslag der dertig joelende Askalonieten bij de puinheuvelen, al hield hij zich aan het Philistijnsche gebod, dat geen man uit Israël wapenen mocht dragen of smeden, voor eigen of anderer gebruik. Want telkens beving de stille maaiers van de lage vlakten, die in oogsttijd van den heeten morgen tot den afkoelenden avond, niets dan het blinken hunner eigen zeisen zagen, een doodelijke siddering en schrik, zoodra het gerucht rondging dat