i83
en geprikkeld, spreken alleen in den superlatief, en zijn perverse afbraak-hartstocht schroeit als een schendig gif, ieder dien hij aanraakt. Hij slaat alles om met de zwarte vlerken van zijn haar, en toch voelt ge er een nl-smart in wégkrampen en sidderen.
Hét is een boek van huiveringwekkende zelfopwindingr en toch schatert en brult er de lach van den cynischén paljas, den bontkleurig toegetakelden hansworst door heen. Er koelt een koude kalmte in. — Ge voelt op u rusten handen van ijs en tegelijk ziet ge de vlamkleuren van een oosterschen tulband. De oud-testamentische lyriek die er in schuimt en kookt. Het gloeit daar in de kou, er wordt vuur afgeketst als van een zwam. Ge hoort golfjes-gekabbel als van een zoet-speelsch zeetje en toch ruikt ge den storm die vernielend opsteken gaat. Dit boek heeft het brandende, niet van vuur, maar van ijs. Hevige kou schroeit als een vlam. Deze brandende kou van den ijzigen waanzin snijdt er doorheen, door dit werk, toch zoo zelfbewust in de zelf-opwinding en dithyrambiek.
In ons land bestaat een boek van Prof. Jelgersma den filosoof, waarin Nietzsche als een gruwelijke warkop, een potsierlijk denker en broeierig duisterling wordt stukgeslacht. De Prof. doet dat met wulpsche oploopend-