'65
ven, het telkens te beluisteren met een andere gehoor-spanning? Neen, 't is een genot en een smart tegelijk. — Je kunt er niet afblijven. Je wilt het altijd weer beter. Het is een drang, een koorts die innerlijk, afbrandt, verteert, een gevoels- en gedachten-werking die je niet meer loslaat. Het heeft niets te maken met looze mooidoenerij. Je leeft niet meer. Je ziet en hoort de wereld niet, geen vrouw, geen kind, geen vriend. Alleen je werk besta&t... Het is geboren... Bij het innerlijk aanzingen was 't zoo anders nog. Wèg... Je gooit het óm en óm. Dit moet er bij, dat; die nuance, deze buiging... Eindelijk houdt het gemartel op .. . Dan later gaat 't werk in je zingen, heel zacht en heel ver in je hoofd ... en luister je naar iets in je zelf dat zijn eigen onveranderbare schoonheid heeft.—
O! die nachten van Balzac, die worsteling met stof en woord-materie. Hij wou zoo vaak goud hooren rammelen, zegt Crepèt, de voorrede-man van ״Pensées, Sujets, Fragmens". Zeker, maar wat deed hem dan toch zoo zwoegen op den vorm? Een verlangen toch dat boven iedere stoffelijke begeerte uitging.
Deze man is bijwijle zoo diep verzonken in zijn boekenwereld en in zijn eigen creaturen, dat hij zijn fantasie voor de eenige werkelijkheid, en de algemeen-concrete voor een vaagheid aanziet. Sandeau bezoekt hem, ver-klaagt wat over zijn zieke zuster.. .