162
ce qui s'en suit, les gens qui ont souscrit les billets qui échéent après la fin du monde, les jeunes filles qui se donnent, les b. . . ruinés paree que toutes les femmes se livrent, les avares qui ouvrent leurs coffres, toutes les relations sociales changées, 1'on se bat, 1'on se tue, un poitrinaire se moque d'un homme en santé. — Orgie générale. — Plus de masques". — Daar hebt ge Balzac, reusachtig van gebaar, en van drang tegelijk in zijn .. . satanisme waarvan ik u straks sprak. — „Het vergaan der wereld". Een maatschappelijke chaos, een bloedbad, een afzichtelijk bigotte neus-trekkerij van den zieke tegen den gezonde, een duivelsche ontketening van menschen-driften nu alles op zijn einde loopt. — Alle menschen voortgejakkerd door de naakte instincten. Een démasqué van de gansche menschheid. Lijkt het niet een Vastenavond-visioen van een Shakespeare? Hoort ge niet Balzac's lach, zijn pantagruellischen lach achter dit boek-motief daveren, hoonend, grinnikend-satanisch ? — Deze epische duivelarij was hem volkomen ernst, nog iets anders dan de zure spijtigheid over kortsluiting van levens-genot. Begrijpt ge nu waarom hij zich aan Rabelais verwant gevoelde ? Niet waar, de aanvallige George Sand komt eens zoetekens bij hem. — Ze ver-knettert wat fonkelende conversatie-woordjes. Gabriël Ferry in „Balzac et ses amies", herhaalt ze .. . ״Cher maltre, je viens a vous, non comme" .. . etc . .. Ten