!55
subsisterait pas". Je voudrais que la figure de 1'Amérique comparüt a ses yeux. Heureuse, peuplée jusqu'au XVe siècle, dépeuplée, suppliciée pendant trois cents ans. J'aurais voulu que le monde maho-métan, que la Chine lui apparussent et que 1'Asie lui tir&t les oreilles."
Zelfs Plato laat hij in dit dagboek even waggelen op zijn troontje van verhevenheid, in 't symposion getimmerd:
„O Platon, sublime corrupteur qui fait de l'&me un instrument pour ouvrir un corps, tandis qu'il est si naturel d'ouvrir le corps pour y trouver lame!"
Zeker, zulke diepzinnigheden nekken den katholiek in Balzac, al zijn deze brokstukjes blijkbaar bedoeld om in een geheel van proza-epiek te worden opgenomen en dus m. i. meer te beschouwen als geobjectiveerde levens-nuchterheid van den psycholoog romanschrijver. Zou Barbey d'Aurevilly dit niet ook hebben gedacht, want die gelooft wel in Balzac's katholicisme. — En niet, meen ik, uit bekrompen en gedachtenbeklemd dogmatisme. De hoonend hooghartige wijze waarop d'Aurevilly Eugène Poitou heeft afgestraft, dien schelmschen afbreker van Balzac's grootheid, pleit voor zijn onpartijdigheid. Als d'Aurevilly schrijft:
„Balzac, en effet, avec ses défauts, avec ses vices de composition, s'il en a, et qu'il fallait nettement