376
karakter dezer voorgangers, kon het zuivere oordeel misschien meer vertroebelen dan verhelderen. Manus haakte juist naar de onpersoonlijke kenschetsing en omvatting van hun men-schelijkheid. Hij had geen zier om ze te geven en hij zag ze blank of donker, als brandnetel of tulp, net zooals zij voor hem verschenen. Door geen enkel individueel belang aan hen gebonden, begeerde hij van hen geen lof noch onderging hij blaam, omdat hij geheel op den achtergrond bleef en zij zijn bestaan zelfs niet vermoedden. Doch des te vaster en klaarder wou Peet zijn inzicht omtrent hen vormen uit hun woorden, geschriften en optreden, en bijna al deze leiders van nü vergeleek hij met de ruige figuren uit de Groote Revolutie van toén.
Op een avond hoorde Manus op een monstermeeting, Pieter Jelles Troelstra, den aangebedene en zwaar-beschimpte, in volle kracht. Hij gaf zich geheel, deze strijdende redenaar. Wat Troelstra beweerde, het was vaak dwars tegen Manus' eigen voelen en denken in. Maar twee dingen besefte Peet toch dadelijk heel sterk: dat de man het uit zijn innigste en diepste binnenste meende, en dat hij in de hevige opzweepingen van zijn striemend woord, zelf ganschelijk teloor ging. Er was een wrang-afgeperst sarcasme in dit scherp-kantige gelaat en in het neuzige geluid trof hem de vasthakende, bijna snijdende beklemtoning. Manus zag Pieter Jelles in zijn nerveuze lenigheid, een opstandige carmagnole dansen op het podium. Zijn argwanende kop draaide links en rechts. Hij boog, sprong, en zwaaide de armen uit alsof hij lucht en ruimte wou doorvliegen. Om zijn mond wrong een kramp van giftige ironie. Manus zag op dit bewegelijk-smalle masker het trillende leven door de fonkeling van de spleetachtig-toegeknepen oogen heenschieten, en nu en dan effende zich Troelstra's gelaat tot de strak-fatalistische wreedheid van een Japansch duivels-mom. Soms was Pieter Jelles' zengend-agitatorisch woord een vóór-huivering van proletarische woede en dan weer klonk de stem als een rasp, snijdend-scherp, bijtend, nuchter en toch vurig. Een ander keer leek Troelstra's flitsend argumentenspel