363
zij te trotsch was om naar Karei Burk toe te gaan, al nam zij het zich wel honderd keer per dag voor. O, als zij in schemer orgels hoorde spelen in de Goudsbloemdwarsstraat, bij moeder en vader, dan kon zij het wel uitgillen van jammer en heimwee. Maar dan naderhand dreef al haar verdriet weg in een zwaarmoedige berusting; was zij heel blij dat zij niet had toegegeven aan haar weekelijk verlangen, hem aan te spreken. Bleef zij toch de meerdere. Maar vorige jaar lente was het heel erg geweest. Toen zat zij bij een tante, in een benedenhuisje op de Brouwersgracht. Haar dochters lieten de gramophoon zingen. Het was zoo een lang-nalichtende, zoele avond. Zij zat vlak tegen het raam, heel dicht bij een inschijnende gaslantaarn. Het rook zoo bloemerig buiten. Er steeg een vochtige geur van grachtboomen op en Corry voelde zich zoo vreemd, bang en zoo alleen in het donker, dat zij wel in grienen had kunnen uitbarsten. Maar de kakelende en schei-lachende nichtjes jankten mee met de schelle gramophoon, terwijl zij wel kon huilen, al maar doorhuilen. De meiden spotten: kijk het wicht van het stadsstedelinge-gesticht, se sit te tobbe onder haar boeselaar!... Het ging Corry koud langs de flanken. Stil zat zij in een hoekje bij het raam en tusschen haar oogwimpers berekende zij, onder een fijn spelletje met sterachtig-uitéén-spattende stralenbundels, hoe ver zij wel kon zien buiten den kring van het lantaarnlicht, op de gracht. Zij wist eigenlijk zelf niet goed wat zij deed. Als zij zich maar uit het vervloekt gepieker en gemijmer mocht losrukken. Zij verwenschte giftig de gramophoon. Die akelige muziek maakte haar dol van verlangen en bracht weer weemoedige herinneringen aan het saamzijn met Karei, 's avonds laat over het Y, bij avondrood; dat vond zij zoo fijn, onder haar liefdegeluk, die gouden glanzen te zien scheren en spiegelen over de slootjes tusschen de verre landerijen... De joolnichtjes deden al opgewondener en maller, maar zij bleef muisstil in haar hoekje, voor het open raam, terwijl een zoel koeltetje van den lente-avond naar binnen wuifde en langs haar wangen aaide.