359
ningen en de wind op het Jaagpad en over de kerkhof-popels, loeide en kreunde als een wild-huilend beest. Nog ijziger en kalmer herhaalde Manus*.
— Tóch is het waar.
— Als je zoo begint, smeer ik 'm op slag,... dreigde Corry minachtend.
— Smeere?
— Ja!
Manus' linkeroog was even opengesperd en sloot weer langzaam toe. Onbewogen ontstak hij een nieuwe sigaar.
Toen, bijna dreigend, koel en vreemd-vast, stootte hij uit:
— Je doet wat je niet late kan.
Een stilte viel. Corry, achter haar stoel, heel slank, bleef aarzelend turen, dan hier, dan daar. Zij kreeg ineen het oude ontzag voor Manus en zij rilde bij de gedachte dat hij haar doorzien had. Zij weende bijna. Voor Manus bestond zij nog maar alleen in haar droeve stem. Want lichamelijk zag hij haar niet meer. O, hij wist wel van zichzelf dat hij geen strijder was naar buiten. Hij stond schuw, schaamachtig bijna en opgejaagd tegenover ieder uiterlijk rumoer. Maar het innerlijke rumoer en de valsche illusie van menschen ontweek hij nooit.
Met een zachte, verteederende stem begon Manus wat te Zeggen over het smartelijke ongeluk van Corry's heele leven,... haar waanzinnigen trots, haar wraakgierige zelfverheffing tegenover de dingen die haar vernederden. In een zwaarmoedige kalmte, rustig, hoog toch, noemde Peet eindelijk den naam van Mooie Karei. Corry, ongezind voor vertrou-wings-toenadering, zag geen oogenblik het pijnigend-stille leed Manus' gezicht verwringen. Nog hield zij vol, koppig-weerstrevend, wegwerkend in een beefschok haar ontstelling, toen Manus zoo plots Burk had genoemd. Met doffe stem zei zij:
— Die kerel is dood voor me!
Manus beet zijn ganzepoot vaster tusschen de tanden.
— Mogelijk.