358
Manus nam een driest besluit. Kom, hier was nu eens een heerlijke gelegenheid om afstand te doen van zijn eigen be-geerige Ik en om zichzelf en al zijn lusten weg te cijferen. Nu kon hij eens een menschlievend avonduurtje lang toepassen düt wat al die wijze menschen hun heele leven hadden gedaan. Hij las toch niet alleen maar boeken van Kempis en van Böhme om de mooie vage woordjes, om de lieve lettertjes? Of begon hij zich nou ook al in sentimenteel bedrog zelf te vernikkelen? Was er dan geen strenge waarheid meer in hem, tegenover zijn eigen gewaarwordingen en gedachten? Hij wou zoo graag een beetje goed mensch worden, die in zekere mate van zelfverloochening eerst innerlijke rust vond. Maar ״toepassen" een beginsel was toch nog iets anders dan uit eigen onmiddellijke opwelling en innerlijken geestesdrang, handelen!
Even beefde Manus en zijn stem wankelde. Plots veranderde geheel zijn mom, neep zijn linkeroog krampachtig saam. Corry zag het en ontstelde lichtelijk, en eêr Peet het zelf goed besefte was het eruit, kernig en dringend:
— Meid ... jij hebt verdriet!
Corry sprong op. Haar stem sloeg over in een hoonend-schel geschreeuw.
— Ikke? ... Stapel... stapeldol ben je Bochel!
Manus constateerde, ijzig-bedaard: zij scheldt Bochel... ik ben op de goeie weg. En „glashard" ging hij voort:
— Je hebt niet alleen verdriet... maar je wil je ook bij me komme uitspreke!
Hoog stond zij vóór hem, in den schaduwschemer van het zolderingetje. Met haar fijnen vinger betipte zij smadelijk het voorhoofd.
— 't Mankeert je hiér... je bent getiktakt!
Zij leek nog veel langer dan op straat, in het lage vlieringhokje. En Manus, kleintjes-schuw, leelijk, geel, scheen achterover in zijn stoel onder haar vernielenden blik wég te schrompelen. Over zijn grooten kop lei een groezelschaduw van het lampje. De raampjes rammelden weer in hun spon-