364
wilde hij voor niets ter wereld dat Corry zou vermoeden: Manus was om haar de buurt uitgetrokken. Met minzame woordjes, arglistig-zachte wenkjes, hoffelijk en zonder indringerigheid, vroeg hij Corry naar het dagelijksch bedrijf en leven; wat zij deed en wat zij wou.
Nog steeds in het groote modemagazijn? Zoo-zoo! Zij bevestigde het met haar bevalligste knikjes en haar stem kweelde. O, zij sprak allerliefst en zij deed toch niet quasi-beschroomd verleidelijk en ook niet tartend-coquet, en zij was heelemaal niet meer het oppervlakkige genotschepsel van het café-chan-tant, de op heet schandaal en wild avontuur beluste meid uit de ״Empire".
Plots schold zij ruw, in haat-afstooting en geringschatting, op haar omgeving van verachtelijke zwijnkerels en dan inéén weer, schimpte en hoonde zij met guitige uitdrukkingen en schelmsche spotwoorden. Terwijl zij lachte, sprong haar tongetje in de roode holte van haar kleinen mond heen en weer als een verschietend weverspoeltje, en met haar hoofd maakte zij hoenderachtig-verwaande en zelfbehage-lijke beweginkjes. Zij vertelde schuimerig van haar boosaardige pret om alle opgedirkte kereltjes, baasspelerige ploert-chefjes, die om haar heenzwenkten. Zij bootste lenig en snel, den een en den ander na, met speelsche afwisselingen in imitatie en houdingen. Zij stond, zij zat, zij sprong, zij huppelde. Manus gierde. Zij deed het zoo leuk, zoo onoverdreven-zuiver, dat hij al die mannen vóór zich zag in hun kleffe hartstochtelijkheid of afgesnauwde bedremmeling. En telkens werd Manus door verteederende gevoels-aansluipingen vlak in Corry's nabijheid gedreven, en staarde hij ontzet en gefascineerd in haar gouddonkere fonkeloogen. De „Dalia" liet hem onbewust zien, hoe zij ook daar, in het „modepaleis", heerschte onder de afgunstige, ruziënde vrouwen en meisjes, die dol waren van jaloezie en tegenstreving op haar lichtzinnig mannensucces.
Toch, niet één behandelde de opgedirkte en geaffecteerde