325
Vrome peinzers als Thomas van Kempen, en de heel- en half-heiligen als Boeddha en Lao Tse, zich meer tegen de waardeloosheid van het natuurdriftige, aardsch-wereld-lijke bestaan, dan tegen een economische maatschappij-omvorming of tegen het overbrengen der voortbrengingsmid-delen in gemeenschappelijk bezit. Maar ook bedacht Peet, dat Marx en Engels het éérst en het volledigst, demensch-heid met een vaak vervoerend-dramatische kracht hadden doen zien, hoe de arbeiders uitgezogen, gekneveld en physiek vermoord werden in het pestelijke verderf der kapitalistische samenleving. Zij en zij alleen, geeselgrij-pers en zielezieders, hadden het éérst met zwaar en bang gerucht de ketenen doen rinkelen waarmee de proletariërs als geboeide boeven waren vastgeklonken aan hun loonslavernij. Hun aanklacht benauwde bijwijlen als een onweer-donkere dreiging, een woeste verschrikking, en hun oproep: ״Proletariërs aller landen, vereenigt U"!... werd zóó dringend-vermetel en van een zóó allerhoogste men-schelijkheid doorstormd, dat de schuwe zwoegers in zwarte fabriekswalmen er zelf huiverend van ontstelden; in een koudmakende geluksrilling ervoeren, hoe zij onder blinde levenswoelingen, als strijders bijéén hoorden in een groot-sche worsteling van klasse tegen klasse, ter verovering van een nieuwe wereld en een nieuwe maatschappij.
Manus bedacht in een trotsch-heilig besef, hoevele ge-moedsgevoeligen, maar ook groot-geestelijken uit de bezittende klasse al waren overgeloopen naar de verdrukten, en met hoe grenzenloozen moed, zoet-innige overgave en verheven ernst zij streden; énkelen zelfs onder uitmergelende ontbering, in levensgevaar en onder ophitsende lasteringen. Hoe zij vochten voor het proletariaat dat in zijn verdoemd ellende-duister wroette, woelde en kreunde van on-menschelijk lijden. En zij werkten, juichte het in Manus, godlof niet alleen als stug-wetenschappelijke ontleders van het productieproces en kille doodgravers van het kapi