314
iets dat niet meer zelf tot het stoffelijke behoorde. Dit verklaarde voor Manus eenigszins, waarom het mogelijk was dat het hóógere levensbewustzijn, het klassenstrijd-bewustzijn met heel zijn instinctieven levensdrang, óók kon ontkiemen in het brein van burgerlijke bezitters en aristocraten; óók in het brein van uitzuigers, uitbuiters en in het brein van hun nakomelingen. Anders bleef er opnieuw een mysterie. Want hoe kon dit krankzinnige voortbrengingsstelsel van heden, een immanente verheldering van maatschappelijk bewustzijn brengen bij klassevijanden van het proletariaat? Waterverf! Manus kreeg zijn draai. Zijn voelsprieten begonnen trillend te tasten in de mijmerduisternis. Rekenen, rekenen ... Wat waren eigenlijk, dieper beschouwd, ״hoogere" levensvormen en „hoogere" menschenliefde? Toch niets dan ideologische woorden! Wat waren eigenlijk verlossingsverlangens, begeerte naar beter en meer? Toch woorden, wóórden!' o:
Manus lachte weer even ironisch en zijn linkeroog neep dicht.
De maatschappij bracht alleen een ander productieproces. Doch „doelmatiger" of „rechtvaardiger", en „menschenliefde" en „ideaal"? Wat waren dat toch voor gekke ideologische termen? Moreele waanwijsheidjes, waarmee zich de nieuwe maatschappijvormers het conflict der kapitalistische productiekrachten in hun belemmeringen voor „hoogere" ontwikkelingsvormen, moesten bewust worden? ,^Alsjeblieft, spotte Manus, geen zoetsappigheidjes, geen gevoelsphrazen, geen illuziën, geen droom! Menschenliefde? Waarvoor? Verlossing? Waarvoor? In Marx' naam, geen ... Hindoesche, oer-Christelijke of oer-Heidensche, verachte-lij k-oudbakken zedelijkheids-idealerigheidjes. Want al die idealiteit en schijn-verhevenheid en dichterlijkheid waren toch niets anders dan het, in menschenhoofden omgezette en overgezette materieele! Leuteren wij dus niet over moraal en deugd. Er zijn slechts maatschappelijke productie-verhoudingen die zich wijzigen en die ook de geestelijke verschijnselen in hun innerlijke veranderingen bepaalden. Alléén dus weten-