275
Het weeuwtje pruttelde schichtig iets over den ״gos-krim-mieneele" gierwind in het stikkeduister, bij al die ״dooje" van ״Te Vraag".
— Hier beter as buite man ... 't is d'r gosschreiend erg, soo'n lawaai!
— Ween niet over de dooje, noch beklaag ze,... zei Manus zuchtend, toch een beetje spottend-plechtig.
Het weeuwtje schrok:
— Wat 'n inval!
— Hard geld? ... Jeremia is an 't woord, moeder ...
Manus knabbelde zijn sober broodje met een homp
kaas ertusschen gedrukt, voor avondmaal. Hij hoorde in de diepte de Schinkelgolven bruisend breken op de oevers en vlak boven zijn raampje loeide het wilde liergegil van de hooge kerkhofboomen. Manus voelde zich zalig-veilig op zijn laag vlierinkje, waaromheen de grenzenlooze eenzaamheid uitzonk.
Het kippig-loerende weeuwtje sloop schuw en zwijgend weg, om na tien minuten weer achtermouws te verschijnen met een bakje thee.
— Bochel... pak an___ikke bin befetsef!... 'n Mins
ka nie droog slikke!
— Van sesseklaar en toevallig nat,... spotte Manus, al proefde hij het slappe afgietsel nauw.
Vanavond greep hij niet naar Thomas of Augustinus, niet naar de nederige, maar naar de oproerige boeken die hij had geleend, gehuurd of uit de Leeszaal meegekregen, over de groote Fransche Revolutie.
Peet worstelde eigenlijk met alle elementen van zijn innerlijke natuur, aleer hij zijn eigene ontzetting en diepe ontroering begreep en met zijn bewusten geest kon verklaren, telkens wanneer hij op zijn wijze de heldenfiguren en dollemannen uit de Omwenteling vóór de levende verbeelding liet opdoemen, en telkens wanneer hij heel het daemonische, verpletterende gebeuren van dien moordwoesten tijd te om-
Befetsef: buffet-chef.