350
en aanleg. Tegenover deze schrille razers had Manus een krenkend genot klaar: ze te ontmaskeren, ze terug te duwen, de woorden van ze af te pellen, zooals van een garnaal de huid. Want al kon Manus niet met gelijke luidruchtige theoretische woordkramerijen komen aandraven en allerlei geleerdheidjes luchten over economie, bovenbouw en onderbouw, — hij verstond iets anders en iets beters: den mensch, zooals deze zich uit nuchterste hebzucht, wangunst of heetsten hartstocht opblies met mal-ijdel gedaas, om iets te schijnen. Want de stugge en wrokkige arbeider of kapitalist die zich afkeerig toonde van het idealistisch socialisme en het humanisme en alle gemeenschapsliefde, vond Manus honderdmaal zuiverder in zijn doorstrengeld egoïsme, dan de opblazers van deugden en gevoelens die ze innerlijk niet bezaten, en waarvan de snijdende of ontploffende kracht hem even vreemd was als den beschimpers van idealen en hoogere moraliteit.
Door zijn liefde voor Corry had Manus diepere zielsontroering gevoeld, bewogener naar het algemeen-menschelijke uitstroomend. Zijn inkervende spotdrift scheen onverminkt en toch veranderd van karakter. Den eersten bewustzijns-schok, die Peet ruig omploegde, kwam hem de oorlog brengen. Wat Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht hadden gedaan voor een ideaal, voor een heilige strijdbegeerte, ja, dat kwam als een slag op zijn hart neergemokerd. Al lang daarvóór was hij aan het lezen geraakt met een grenzenloozen hartstocht. De makkers uit de buurt zagen Peet niet meer. Op de Leliegracht las Manus uit een klein bibliotheekje bij een zwijgzaam mannetje, dat rustig hem allerlei lectuur voor-schoof. Dan zat hij in een schemerhoek) e soms uren achtereen boeken uit te spellen aleêr hij ze meenam, terwijl hij ze natuurlijk toch tendeele betaalde. Zoo had hij even vóór den moord op Liebknecht en Rosa Luxemburg, Multatuli doorgesnuffeld. Peet, die altijd gewend was geweest alleen